Kill Your Friends

Kill Your Friends

Standaardwerkje voor aankomende rocksterren

Met Eurosonic en Noorderslag in het vizier leek het me aardig om een Hyves-blog over John Niven’s boek “Kill Your Friends” in een behoorlijk herziene versie op I Jam Econo te plaatsten

“So you wanna be a rock’n’roll star?”

Zongen The Byrds ooit. De jeugd van tegenwoordig antwoordt steeds vaker “Ja, graag!”. Het is een beroepskeuze in 2010. Elke zichzelf respecterende stad heeft intussen een popschool. Dat moet verbijsterende taferelen opleveren in Nederlandse huiskamers. Zoon: “Pa, op zich zie ik die studie medicijnen wel zitten, maar ik wil toch rockster worden.” Pa: “Pappa oom mauw mauw…?!”

Het maakt niet uit hoeveel dooie popsterren met torenhoge schulden de muziekindustrie produceert (er ging er laatst nog 1 failliet, en vlak daarvoor ging er 1 dood die al failliet was). De droom om het ooit eens te maken leeft als nooit te voren. Er zijn nu een half miljoen muziekmakende Nederlanders. Een verdubbeling bijna sinds de komst van het internet. Een op de 32 landgenoten, een complete Z-side in de Amsterdam Arena, zeult elk weekend een instrument naar een oefenhok. Niet allemaal met dezelfde ambities, maar toch, dat zijn cijfers om even bij stil te staan. Waarbij je tot de conclusie moet komen dat we ook als het om popmuziek gaat aan het doorslaan zijn. Tijd voor bezinning en relativering, van klokken luiden, en het lekprikken van zeepbellen.

Er is domweg te weinig ruimte aan de top voor een half miljoen muzikanten. Een half duizend wordt al lastig. En aan de top moet je zijn om rond te kunnen komen. Dan kom je -toegegeven- ook goed rond. Maar slechts een handvol professionele muziekmanagers telt Nederland. Da’s niet voor niets. Ik kom zelf, na lang denken en turven, op 9 geweldige, 17 goede, 24 niksmismee, en 33 kanwatworden Nederlandse bands. De leden van eentje daarvan, The Ex uit Wormer, mogen zich rockster noemen. Welliswaar wonen ze in gekraakte huizen, en de Zeeman heeft een goede klant aan ze, maar toch, ze leven van het muziekmaken. Als de top niet lukt is er namelijk nog een alternatief: de lange adem. Na pakweg 19 jaar begonnen de stukjes in elkaar te vallen voor The Ex waardoor zopas een 30ste verjaardag gevierd kon worden (nog proficiat van deze kant). Daar is even leuk op geborreld in het hoofdkantoor. De rest van mijn topmuzikanten is in het dagelijks leven psycholoog, chemicus, striptekenaar, werkeloos of student medicijnen. De instrumenten worden met plezier het oefenhok ingezeuld want er is geen druk. Er ligt maandagochtend geen proefwerk ‘Compositie’ op hen te wachten, dus kan men onbevangen loos gaan tussen de strokartonnen muren. Dat zou maar zo een reden kunnen zijn dat hun muziek op z’n minst best wel wat kan gaan worden.

Er is natuurlijk niets mis met lekker muziek maken. Ook niet als dat gedaan wordt door een half miljoen mensen in een land dat slechts 70 goed geoutilleerde podia kent. Maar carrière-wize… Vraag bijvoorbeeld maar aan Bettie Serveert hoe lastig het is. Zo sta je op de voorkant van de Billboard, zo sta je als assistent-kok in een Nederlandse keuken. Afgeserveerd door een label waarmee het nog wel zo goed klikte. Dat heeft heel lang een hoop gerotzooi om poen met advocaten en notarissen opgeleverd. Een tijdje uit de uitkering is al mooi. Maar daar doe je geen dure popschoolstudie voor lijkt me. Het succes, de rijkdom (de drugs, de sex, et cetera…), ik geef toe, het zijn lekkere wortels om achteraan te lopen. Het schijnt ook geil te zijn om met een gitaar op je rug over het dorpsplein te lopen. Om nog maar te zwijgen over het idee dat je je pa met een glossy, met jouw kop op de voorkant, om zijn hoofd kunt slaan. Die pa die het liefst zag dat je arts, leraar, postbode of desnoods callcentermedewerker zou worden. Maar pa heeft nu zelf iets om mee te slaan…

Dat is het boek “Kill Your Friends” van John Niven, een Brit die tien jaar in de muziekindustrie heeft gewerkt. Niet ergens in de marge, maar in de hoogste regionen; die van de major labels. Niven veegt keihard de vloer aan met de verzamelde popindustrie en schreef en passant een boek dat voor elke muzikant met ambities een waarschuwing kan zijn. In hoeverre zijn verhaal, zijn ervaringen, op de realiteit gebaseerd zijn blijft gissen. Maar ik loop zelf ook al even mee, en mijn gevoel zegt dat hij dicht bij de waarheid zit.

Niven beschrijft 12 maanden uit het leven van Steven Stelfox, A&R-manager in Londen bij een van de grote jongens. Het is 1997. Stelfox moet bandjes ontdekken en er voor zorgen dat die hits produceren. Hij maakt de droom van de jonge popmuzikant waar. Tot zover de theorie… In de praktijk is Stelfox een snuivende en drinkende aso die zich neukend en verneukend door de popwereld werkt. Zoals iedereen om hem heen dat doet. Het laatste waar hij zich zorgen om maakt zijn bandjes en muzikanten met dromen. In lange passages beschrijft Niven wat er in het hoofd van z’n hoofdpersoon (hijzelf?) omgaat. Bijvoorbeeld als er weer eens een band vol spanning en hoop bij hem op de bank zit. De vraag wat hij van de demo vindt die zojuist door z’n kantoor geklonken heeft dringt nog net genoeg tot hem door om antwoord te geven, maar de gedachten zitten in werkelijkheid natuurlijk weer eens bij de drank, de coke en de vrouwen (doable, neukbaar, is het enige criterium). Na anderhalve pagina duivels denken, waarbij de band tot aan de enkels afgezaagd wordt, antwoordt Stelfox dat hij het gitaargeluid erg goed vond. Eens per jaar zal hij toch ergens een hit vandaan moeten halen, dat is genoeg om weer 12 maanden het losbandige leven te leiden dat hij leeft. Vandaar dus dat hij positief is en het beeld overeind houdt van de meelevende ‘vriend’ van de band. Hij houdt opties.

Niven –die in de ik-vorm schrijft- gebruikt dit soort passages om zijn gedachten als het gaat om de kansen van bands weer te geven. Kansloos, dat is z’n uiteindelijke oordeel. Simpel, keihard, maar wellicht ook reëel. Als er al een deal komt, de zogeheten break waar elke muzikant van droomt, dan blijven er op wonderbaarlijke wijze aan het eind van de rit altijd schulden over voor de arme, naïeve popster. Niven legt haarfijn uit hoe dat werkt. Z’n taalgebruik is prachtig, het beeld dat hij schetst van de muziekindustrie is dus verre van dat. Met harde cijfers en sfeerimpressies van industriefeestjes, vergaderingen en beurzen geeft hij een ontnuchterend beeld van een wrede popwereld. Een wereld die eerder ook door producer/muzikant Steve Albini (wiens naam zowaar even opduikt in het boek) op 1 lijn werd gezet met de drugs- en de vrouwenhandel. Albini heeft een vreemd soort humor, maar in dit geval was hij bloedserieus. Stelfox heeft trouwens geen gemakkelijk jaar, laat dat duidelijk zijn. De vrouwen, de coke, de kromme bochten waar hij zich in wringt, de moord die hij pleegt, z’n eigen web waarin hij steeds meer verstrikt raakt; het is een scenario dat zich kan meten met dat van “American Psycho”.

Als je bereid bent zo’n botte lul als Steven Stelfox te zijn kun je dus leuk boeren in de popbiz. Er zijn volop mogelijkheden als het gaat om brood op de plank. Maar die zitten vooral in het randgebeuren. Er rijden 120 trucks op een tour van de vier Rolling Stones. Kijk, dat zijn cijfers. Maar ik heb niet de indruk dat de gemiddelde popschoolstudent met die ambities z’n rocklessen volgt.

“So you wanna be a rock’n’roll star?” John Niven, ik en pappie zeggen “Misschien toch eerst even je studie afmaken?”.

2 Reacties op “Kill Your Friends

  1. Pingback: Live Forever; The Rise & Fall Of Britpop (deel 1) | I Jam Econo

  2. Verrückt dass sowas wirklich passiert ist😉

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s