Lowlands 1994, deel 2

Zo begonnen we dus die vrijdag op Lowlands ’94 met het maken van drie dagen en twee nachten Paradise Radio. Zes presentatoren die elkaar aflosten, een clubje daar omheen dat de redactie verzorgde. Ikzelf had als belangrijkste taak het ophalen van artiesten voor interviews, met tussendoor wat voxpoppen op het terrein. Ik had ook een doosje vinyl meegenomen: importsingletjes, waar -als het zo uitkwam- een muzikant een verzoekplaatje uit mocht zoeken.

Jeff Buckley

Jeff Buckley koos “Night Goat” van The Melvins. Een opmerkelijke keuze, dat mag duidelijk zijn. De logica is wel vaker lastig te vinden als het gaat om wat er in een muzikant gaat, en wat er weer uit komt. Buckley was de eerste artiest die aanschoof in de Nightrider/Paradise Radio-studio. Een vrolijke man waar een prettig gesprek uitrolde. Geen poeha of houdinkje, maar iemand als jij en ik. Tenminste, zo staat het me bij. Maar wie eerder m’n blog “Oud” las weet dat mijn geheugen me in bepaalde opzichten niet echt meer goed dient. Ook nu niet, terwijl ik dit schrijf. Een hoedje had-ie geloof ik op.

Voor mij was Jeff Buckley toen ‘de zoon van’ (vader Tim Buckley), en heel veel meer is het ook niet geworden toen hij niet veel later een grote naam werd. Het kan maar zo zijn dat dat aan mij ligt. Bij het nieuws van z’n mysterieuze dood dacht ik terug aan LL ’94, en het Melvins-singletje.

Een interviewtje bij de heren Nightriders was nog wel een apart verhaal. Als autodidacten hadden de heren een geheel eigen stijl ontwikkelt. Een bijzondere mengeling van piratenbloed, Friese genen en steenkolenengels. Niet te serieus dus. Dat was voor menig artiest eerst even wennen, al was het alleen maar omdat je tussen acht dozen ramsj-vinyl kwam te zitten voor een gesprekje. Bovendien kregen typische Nightrider-onderdelen ook een plaats bij Paradise Radio. Maar er was er gedurende het festival slechts eentje die zichtbaar moeite had met deze format. Alle overige interviews verliepen soepeltjes en konden soms gewoon zomaar een half uur duren.

Michael Katon

Michael Katon spande de kroon. Die was niet weg te branden! Dat had met Elvis te maken. Een piratenartiest bij oettiestek (inside joke) natuurlijk. Ouwe rot Katon kende iemand die in de band van The King had gespeeld. Dichter bij Elvis kun je als Nightrider nauwelijks komen, dus het gesprek liep een beetje uit. Als ik me goed herinner nam hij pas na anderhalf uur afscheid. Een nickname voor Katon was ook snel gevonden: The Man Who Knew The Man Who Knew Elvis.

Met de illegaliteitsfactor die altijd als een zwaard van Damocles boven de piraat hangt werd er absoluut geen risico genomen. Vandaar dat zelfs artiesten bijnamen kregen. Zo moest ik het Bountymeisje ophalen.

Heather Nova

Heather Nova was geboren en getogen op het paradijselijke eiland Bermuda, daar waar palmen groeien op witte stranden. Daar dus waar de Bounties rijp te plukken zijn. Elke oudere TV-kijker weet dat. Ik kende de hit van het Bountymeisje en had de clip gezien, dus ik verheugde me op de klus. Viel een beetje tegen. De Bermudaanse zon had sporen achtergelaten die ik op de beeldbuis niet zag. Er stromen kennelijk geen beekjes vol Oil Of Olaz op Bermuda. Ik begon ook te twijfelen over die Bounties (Bounty’s?). Daar had ze er in ieder geval niet genoeg van gegeten. Toch jammer dat de schijnwereld die televisie heet vaak een vertekend beeld geeft. Maar ze was erg vriendelijk, en nadat het TV-beeld vervaagd was begon ik het Bountymeisje als vanzelf toch mooi te vinden.

Zo was het een komen en gaan van artiesten. Ik liep van studio naar kleedkamer of podium, en weer terug. Dat was soms nog lastig ook. De festivalgangers liepen in ware colonnes, inclusief legerkissies, van concert naar concert. Daar stond je dan met iemand van The Offspring, klaar om een doorbraak te forceren. Even verderop een rij van een meter of 30 voor een pin-automaat. Wat daar gepind werd rolde uiteindelijk indirect bij de man die toen naast me stond in de zak, bedenk ik me nu.

Maar laat duidelijk zijn dat ik de tijd van m’n leven had. Zo kwam ik bekende gezichten tegen, da’s altijd leuk. Het Vera-clubje bleek precies binnengekomen te zijn op het moment dat The Melvins op Paradise Radio te horen waren. Met m’n backstagepas stond ik bovendien bovenop de bands. Ik keek vanaf de zijkant van het podium de mensenzee in. Indrukwekkend. En in de studio was het een dolle boel. Zelden zo gelachen.

Maar meer daarover in deel 3 van Lowlands ’94.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s